Schoonheid, intuïtie en enkele echo’s bij Yoko Ogawa

Voor schoonheid zijn er geen woorden. In Yoko Ogawa’s roman De huishoudster en de professor (Hakase no Aishita Sushiki, 2003, vertaald in het Nederlands door Elbrich Fennema) gaat het om de schoonheid van getallen, priemgetallen, bevriende getallen. ‘Zoals niemand kan uitleggen waarom de sterren mooi zijn,’ zegt de wiskundegeleerde, ‘is de schoonheid van wiskunde ook moeilijk te verwoorden.’

De geleerde – een professor zonder ambt – is een nukkige kluizenaar, woonachtig in een verwaarloosd tuinhuis. Zijn pas aangenomen huishoudster, de ik-verteller van het verhaal, merkt over het huis op: ‘Er was niets wat de fantasie prikkelde of een klein genoegen opleverde; geen glimlach oproepende spulletjes die over het verleden vertelden, geen geheimzinnige foto’s, geen souvenirs die je een zucht ontlokten.’ Maar het huis is haar niet onaangenaam: ‘Toch hing er een soort rust die ik nog niet eerder had ervaren. Het was niet alleen de afwezigheid van geluid. De kamer was doordrenkt van stilte. Een stilte die het hart van de professor vulde wanneer hij dwaalde door zijn woud van getallen. (…) Het was een doorzichtige stilte, als een meer dat in het woud ligt verborgen.’

Net als in Takashi Hiraide’s De kat, ook hier heeft het huis een beslissende betekenis voor het verhaal. Weer is het een bijhuis, oud en versleten, maar vol van een onbepaald soort wabi-sabi, of ‘schoonheid van eenvoud’. Dat echot in de onbeschrijflijke schoonheid van de getallen, waarvoor de wiskundige leeft.

In De huishoudster en de professor gaat het om een zeer specifiek soort getallen, dat als metafoor dient voor het hele verhaal. Bevriende getallen zijn getallen, legt de professor uit, waarvan de som van de factoren van het ene getal het andere getal is, en andersom. Hij geeft er rijkelijk voorbeelden van en laat de huishoudster en haar zoon ermee oefenen, maar voor de rode draad van het boek is het gegeven als zodanig genoeg. Bevriende getallen echoën in elkaar.

De huishoudster en de professor is ook verfilmd.

Nu is de professor zelf een weergave van zijn levenslange liefde voor getallen, merkt de huishoudster op. Dat zie je terug in zijn handschrift, in elk figuur dat hij opschrijft. Zijn getallen hebben ieder een eigen karakter. Zij verbaast zich erover hoe iemand die amper een magnetron kan bedienen, zulke exacte getallen kan schrijven, en geheel ongeacht de omstandigheden, waarvan een belangrijk gegeven is dat de professor onder geheugenverlies lijdt. Door een ongeluk kan hij niet langer dan een tijdspanne van tachtig minuten onthouden. Gebeurtenissen van voor het ongeluk daarentegen zijn voor hem net gisteren.

Zij, een jonge, alleenstaande moeder, wordt zodanig meegesleept in de wereld van de onbehandelbare wiskundige, dat zij de regels van haar baan overschrijdt, met als onvermijdelijk gevolg ontslag. Want het is niet de professor die haar heeft aangesteld, maar zijn schoonzus, en zij ziet de ontluikende vriendschap tussen de professor en zijn zoveelste huishoudster en, vooral, haar zoon van tien, niet met genoegen aan.

De zoon, die de professor Wortel noemt naar diens platte hoofd, lezen we, heeft een grote passie: honkbal. Nu wil het toeval dat ook de professor voor zijn ongeluk een fanatieke honkbalfan was. In passages die onvermijdelijk doen denken aan het onvergetelijke openingsscène van Don DeLillo’s Underworld, ondergaan de professor en de zoon hun honkbalwedstrijden, die, hoewel ze er tegelijk naar kijken, voor ieder iets anders zijn. De professor ziet erin de wedstrijden van twintig jaar geleden, terwijl Wortel in het hier en nu leeft. Net twee getallen, die in elkaar echoën.

Een intuïtieve vriendschap is het, en intuïtief is ook de benadering waarmee de professor zijn wiskunde bedrijft. ‘In de wiskunde,’ zegt hij, ‘ligt de waarheid ergens verborgen buiteen de gebaande paden, waar niemand haar kent. Bovendien hoeft het niet op de top [van een berg] te zijn. Misschien wel in een spleet in een steile rots, of ergens diep in een dal.’

Evenals intuïtief komt de huishoudster uiteindelijk achter het levensverhaal van de professor en de rol van de gemene schoonzus erin. Het is alsof de huishoudster, net een vertaler, weet hoe het aangevoelde en vermoedde om te zetten in concrete gebeurtenissen.

Dat geeft een aardige ezelsbrug naar het vertalen als zodanig. In zijn recente pleidooi voor herwaardering van het beroep van de vertaler schrijft Martin de Haan in de Volkskrant over lezers, die zich hardop erover verbazen dat boeken ‘nog altijd door mensen’ vertaald worden. Ja, betoogt De Haan, beslist, want vertalen is ‘scheppend mensenwerk’. Elke vertaler neemt zijn eigen belevingswereld mee in het creatief proces dat het vertalen is, met als resultaat dat geen twee vertalingen identiek zijn. Een vertaling maak je.

Dat maken, heeft Ogawa’s Amerikaanse vertaler Stephen Snyder opgemerkt, heeft zoal zijn karakteristieken. Zo krijgt hij een speciale relatie met het oorspronkelijke boek als hij ter plekke werkt en de locaties van het verhaal bezoekt. In het geval van Takashi Hiraide’s De kat dat Snyder als The Guest Cat heeft vertaald: de westelijke buitenwijken van Tokio.

Een huis in Shiboya, Tokio

Hoe subjectief de keuzes van de vertaler inderdaad zijn, wordt duidelijk als je de Nederlandse vertaling van Ogawa’s roman naast Snyder’s Engelse tekst legt. Niet voor niets noemt Snyder vertalen ‘squeezing a jellyfish‘: de oorspronkelijke betekenis van de tekst neigt steeds te ontvluchten, hoe harder je er ook grip van probeert te krijgen. Daarom zegt hij te werk te gaan eerder als een masseur, die de spieren van de taal los probeert te wrikken. Een keuze die de vertaler dus met zijn eigen intuïtie maakt.

De bovenaan geciteerde passage uit de Nederlandse vertaling van Elbrich Fennema over het slordige huis van de professor wordt bij Snyder:

‘There was not a single object to spark the imagination, no trinklets from the Professor’s pas, no mysterious photographs or decoration that might have amused a housekeeper.’

En over de stilte in het huis:

‘And yet, the room was filled by a kind of stillness. Not simply an absence of noise, but an accumulation of layers of silence, silence that the Professor left behind as he wandered through the numbers, silence like a clear lake hidden in the depths of the forest.’

Het verschil tussen de twee vertalingen is meer dan het verschil tussen de twee talen. Subjectief, intuïtief, en, wellicht in zekere zin ook, bevriend.

 



Reacties zijn gesloten.