Niets dan kunst en woorden: Tove Jansson

Originele Zweedstalige uitgave uit 1968

Explosie is een mooi woord, een heel groot woord. Later leerde ik andere woorden, woorden die je alleen maar kunt fluisteren als je alleen bent. Onverbiddelijk. Ornamentiek. Profiel. Catastrofaal. Elektrisch. Koloniale waren. Ze worden nog groter als je ze vaak zegt. Je fluistert en fluistert en laat het woord groeien tot er niets anders bestaat dan het woord.”

Tove Jansson (1914-2001), wereldbekend door haar Moemin-boeken, groeide op in Helsinki. Het atelierhuis van haar ouders stond in Katajanokka, een wijk direct achter de Russisch-Orthodoxe Uspenski-kathedraal, naast de centrale markt en omgeven door de zee. Haar ouders waren kunstenaars: de beeldhouwer Viktor Jansson en Signe Hammarsten-Jansson, illustrator.

Haar biograaf Boel Westin (Ord, bild, liv; in het Engels vertaald als Life, Art, Words) schrijft: “De drang om beelden te maken zat Tove Marika Jansson in het bloed. Het woord atelier was gelijk aan thuis, en beelden en kunst waren alles. Zij tekende haast voor ze kon lopen.” Ze werd beeldend kunstenaar en illustrator, maar ook schrijver.

Over haar kindertijd in het atelierhuis schreef Tove Jansson de roman-memoire Dochter van de beeldhouwer (Bildhuggarens dotter, vertaald door Cora Polet). Het hoofdstuk “Feest” geeft beeldend weer hoe zij als kind de sfeer in het huis meemaakte. Alleen het onverwachte en spontane telde echt mee, het leven gebeurde hier en nu.

“Mamma is heel goed in feesten organiseren. Ze zet niet alles op de tafel en ze nodigt nooit mensen uit. Ze weet dat alleen improvisatie voor een juiste stemming zorgt. Dat is een mooi woord. Pappa moet erop uit om kennissen te gaan zoeken. Die kunnen gewoon overal zijn. Soms vindt hij niemand. Maar vaak wel. Dan krijg je zin om ergens heen te gaan. En kom je ergens terecht. Dat is belangrijk.”

Het worden feesten vol muziek, melancholie en soms ook ruzies, die vanzelf overwaaien.

“Een vriend zegt nooit iets verstandigs en wat de volgende dat de moeite van het herhalen waard is. Hij voelt gewoon dat niets op dat moment belangrijk is.”

Tove Jansson, 1967

Voor het kind Tove hebben de feesten hun eigen magie:

“Ze kunnen nachtenlang doorgaan. Wakker worden en weer in slaap vallen en gewiegd worden door de rook en de muziek en dan plotseling een schreeuw die koud door de warmte snijdt helemaal tot in je voeten. Kijken heeft geen zin, dan verdwijnt wat je je voorstelt.” 

Als de nacht vordert, vallen gasten in slaap, “want van feesten word je heel moe. Maar ze gaan niet huis, want het is heel belangrijk om te proberen de laatste te zijn. Pappa wint meestal, hij is de laatste. Wanneer iedereen slaapt, zit hij er nog en kijkt en denkt tot aan de ochtend.”

Na het feest is een soepele overgang naar het dagelijkse leven van net zo’n groot belang als het feest zelf:

“Het is erg belangrijk om ‘s ochtends niet al te opvallend de boel op te gaan ruimen. Als je droeve, frisse lucht binnenlaat, kan er zomaar iemand verkouden of melancholiek worden. (…) In het daglicht zijn de dingen anders en als het verschil te heftig is, kan dat alles kapotmaken.”

Naast Dochter van de beeldhouwer zijn van Tove Janssons boeken voor volwassenen alleen Het zomerboek en Fair play in het Nederlands verschenen. In de Anglosaksische wereld genieten haar korte verhalen steeds meer bekendheid. Daarvan heeft The Paris Review recentelijk enkele ook online gepubliceerd: “The Island” en “Writer’s Block”.

Tove Jansson en Niilo Suihko werken aan de fresco “Het feest op land” in het restaurant van het stadshuis van Helsinki, 1947. (Foto: Foto Roos, collectie Helsinki City Museum.)

 

 

 

 

 

 

 



Reacties zijn gesloten.