Krijt

De eerste middag van de nieuwe lente hadden de kinderen een hinkelspel op straat getekend. In de vakken was met krijt geschreven ‘harmonisatiewet’, ‘coachingsstraject’, ‘ontslagpremie’ en andere woorden die de kinderen al gauw haawee, cootee en oopree noemden. Het spel ging zo: je gooide een steen in een vak en zodra de steen opgehouden was met rollen, moest je bijvoorbeeld niet haawee maar harmonisatiewet roepen. Pas nadat de medespelers de uitspraak goedgekeurd hadden, mocht je hinkelen. De vindingrijke regel sloot niet alleen de kleuters uit, maar ook dommere leeftijdgenoten die nog niet goed konden lezen en te druk waren om op de uitspraak van anderen te letten. Nijdig riepen de afgewezen kinderen tegen volwassenen: ‘U heeft een kop als een oopree’ en ‘Er hangt een haawee tussen uw benen’, wat de mensen geweldig ergerde, omdat ze niet zeker wisten of er wel of niet iets mis was met hun uiterlijk.

Ik zat op de stoep mijn ijsje op te eten. Giulio had zijn ijstent voor de eerste dag open, een gebeurtenis waar je meteen bij moest zijn. Giulio – met een G – had een nieuwe smaak geïntroduceerd, die op toffee leek maar anders heette. ‘Bi…got…te…rie’, las ik op het bordje. Giulio lachte en zei dat het niet gaf en deed er een extra schep bij. Ik had liever stracciatella (‘straats-atella’) gehad, maar omdat Giulio zijn nieuwigheid aan de man moest zien te brengen, slurpte ik het net-geen-toffee gespeeld gretig op. ‘Lek-ker’, pufte ik uit, maar de man achter mij nam gewoon aardbei.

Ik veegde m’n plakkerige vingers af aan m’n broekspijpen en stond op. Een van de kinderen reageerde. ‘Hé jij. Schrijf een nieuw woord voor ons. Madalena zegt dat haawee een dom woord is. We willen een ander.’ Ik krijtte ‘prijsontwikkeling’ op het asfalt. Dat betekent dat het ijs van zestig cent opeens zeventig cent kost. Bij wijze van spreken, had Giulio gezegd, want eigenlijk moet het ijs gratis zijn, zoals alles wat de mens echt nodig heeft: zon, liefde en knoflook. Daarop zei een klant dat Giulio een salonsocialist was die nooit de stap had gewaagd om zich bij de arbeiders aan te sluiten. Hijzelf daarentegen was voor het leven gebrandmerkt, zei hij, zijn hemd optrekkend, zodat iedereen de hamer en de sikkel kon zien die op zijn bolle buik getatoeëerd waren. ‘Zozo,’ zei Giulio, ‘daar heb ik niet van terug. Meneer is een echte sovjetos en ik slechts een boer die zijn eigen kremlin van ijs bouwt.’

Toen de kinderen net wilden gaan janken omdat ik niet snel genoeg schreef, verscheen Ramona op d’r skateboard. Ramona is haak in pesten, maar als haar pet ernaar staat, heeft ze ook prima ideeën. Ze bestudeerde het hinkelspel. ‘Je schrijft ontwikkeling met twee k’s en één l.’ De kinderen vulden hun ogen met verwijt. Ik vond het onrechtvaardig, want de andere woorden hadden ze van de grote jongen die bedrijfsleer of zoiets studeert. Ik concentreerde ik me op mijn veters die los waren en zei niets. Het was een hele opgave, want mijn vingers waren nog plakkerig van dat bijna-toffeeijs.

‘Ik heb een woord voor jullie’, kondigde Ramona plechtig aan. Zelfverzekerd veegde ze ‘prijsontwikelling’ uit en schreef met sterk naar achteren hellende letters ‘skateboardstuff’ op het asfalt. Iets anders hadden de kinderen niet verwacht, maar ze knikten goedkeurend tegen Ramona die een pet uit haar broekzak produceerde en achterstevoren op haar krullen zette. ‘Nou, da-ag!’ Weg Ramona. Nadat ze achter de hoek verdwenen was, ging ik nog een ijsje halen.

 

Gepubliceerd in: Tortuca – literatuur & beeldende kunst, 18/2005.

 

 

 



Reacties zijn gesloten.