Pleidooi voor het lichte en onvoltooide: Kentridge en Calvino

kentridge six drawing lessons

William Kentridge, illustratie uit Six Drawing Lessons

Een inktvlek loopt door een boek. Nee, een stokmannetje. Nee, een ampersand. Nee, het is William Kentridge die door zijn eigen werk baant. Het filmfragment staat voor ieders plezier online op de Instagram-pagina van het Museum of Modern Art.

Het is een fragment van niets, hooguit dertig seconden, dus van een fijne instagramlengte. En toch staat daarin in een notendop de artistieke visie van de Zuid-Afrikaanse multimediakunstenaar Kentridge, die dit jaar een van de hoofdgasten was op het Holland Festival. Filmmuseum Eye stelt nog tot september zijn Ten Drawings for Projection ten toon. Laat je overigens niet misleiden door de titel: de ‘tien tekeningen’ zijn films, waarvoor je echt tijd moet nemen.

Terug naar het MoMA-fragment dat overigens in een of andere vorm ook in Eye langs flitst. Het boek komt vaak voor in Kentridges werk en het staat voor de wereld van georganiseerde kennis. Die schrijnbaar geordende, gesystematiseerde wereld bouwt de kunstenaar keer op keer naar zijn eigen dunk om – tot wat? Tot een minder stijve, minder vastgelegde wereld, die altijd open staat voor de volgende verandering, de volgende inktvlek, de volgende vervorming. In de opera Paper Music, ook uitgevoerd op het Holland Festival, drijft hij de spot met uit boeken geleerde kennis: twee zangers geven elkaar een onzinles, terwijl op het scherm een film draait met een boek waarop inktvlekken op een razend tempo herkenbare en onherkenbare voorwerpen worden.

Het is niet toevallig dat hij in zijn Charles Eliot Norton Lectures aan de Harvard University in 2012, uitgegeven als Six Drawing Lessons, uitgebreid stil staat bij de mythe van Perseus. Een korte samenvatting, naar Kentridge:

Perseus, zoon van Zeus, krijgt de onmogelijke opdracht om de Medusa te verslaan. Alleen: Medusa wordt bewaakt door monsters die te verschrikkelijk zijn om aan te zien. Wie naar ze kijkt, verandert in steen. Perseus, met behulp van goden, bedenkt een list. Hij krijgt een schild dat het beeld van Medusa reflecteert. Zo hoeft hij haar niet direct aan te kijken en voorkomt daarmee het stenen lot. Dat is uitermate slim en bezorgt hem een heldenstatus. Maar op de weg naar huis kan hij het niet laten deel te nemen aan een sportwedstrijd, en per ongeluk doodt hij zijn eigen grootvader bij het discuswerpen.

Als kind, schrijft Kentridge, vond hij de mythe onverteerbaar. Hoe is het mogelijk dat een halfgod, een held als Perseus zo’n onherstelbare stommiteit begaat? Hij werd er bang van:

‘Maybe every step I took, or didn’t take, was the wrong one. Maybe every decision, which seemed so unimportant, would lead to consequences so much greater. Every decision was the wrong decision.’

Kentrigde kennende komt de koloniale geschiedenis van zijn land hier snel om de hoek kijken. Geschiedenis hangt aan zeer rationeel beraamde, welbewust geplande fouten, stommiteiten, omdat de mens zich kost wat het kost aan zijn vooraf beraamd script houdt, ondanks de omstandigheden. Dus, concludeert de kunstenaar, in plaats van te streven naar een onmogelijke, wrede controle, is het beter om je in te laten met het andere, ongeplande en vaak ongewilde deel van jezelf:

‘We are caught between the internal clock of our heart and the inescapable arc of the discus. (…) The power of gods brought inside, to what is still invisible, but which we know if both of us and beyond our control.’

Nu wil het volgende toeval dat een andere genomineerde voor dezelfde Charles Eliot Norton Professorship in Poetry, zoals de Harvard-post officieel heet, dezelfde mythe aanhaalt en er ook zijn eigen draai aan geeft – een draai die heel dicht bij die van Kentridge komt.

Ruim dertig jaar geleden, halverwege de jaren ’80, werd de Italiaanse schrijver Italo Calvino uitgenodigd om de Norton-lezingen te geven. Tussen het voltooien van het manuscript voor de vijfde en de zesde lezing overleed hij. Het manuscript werd postuum uitgegeven als Lezioni Americane, in het Nederlands verschenen onder de titel Zes memo’s voor het volgende millennium. In de vijf lezingen staat zijn literaire testament, waarin hij literatuur benadert vanuit steeds verschillende elementen of invalshoeken.

Hij begint met het kenmerk dat zijn romans zo typeert: lichtheid. Aan de hand van de mythe van Perseus getuigt hij dat lichtheid geen tekortkoming is voor een schrijver, maar een waarde.

‘In de tijd dat ik met schrijven begon’, vertelt hij gelijk op de eerste pagina, ‘was de plicht om de werkelijkheid van dat moment weer te geven de categorische imperatief van elke jonge schrijver. Vol goede wil probeerde ik me dan ook te vereenzelvigen met de onstuitbare energie die de geschiedenis van onze eeuw voortdrijft, in haar collectieve en individuele gebeurtenissen. Ik probeerde een harmonie te vinden tussen het bewogen wereldspektakel, dat me soms dramatisch, soms grotesk voorkwam, en het picareske en avontuurlijke ritme in mezelf, dat me aanzette tot schrijven. Maar ik kwam er al snel achter dat er tussen de feiten van het leven, die mijn ruwe materiaal moest zijn, en de beweeglijke en scherpe lichtvoetigheid die ik mijn taal wilde meegeven, een kloof bestond en dat het me steeds meer moeite kostte die te overbruggen. (…) Op sommige momenten had ik het gevoel dat de wereld helemaal van steen begon te worden…’

Wie Calvino gelezen heeft, weet dat het hem nogal gelukt is om de verstening te voorkomen. Analoog aan Perseus: ‘De kracht van Perseus zit telkens in het afwijzen van de directe waarneming, maar niet in het afwijzen van de werkelijkheid van de wereld van monsters waarin het hem beschoren is te leven; een werkelijkheid die hij met zich meedraagt, die hij als zijn eigen last aanvaardt.’

Het ene in het andere, de hele zooi. Bij Kentridge heet het ‘de nodige domheid’:

‘The necessary stupidity is not the same as foolishness, or the innocence of the pure fool made wise through compassion. It is not the fool with the licence to talk truth to power. It is not simple naivité elevated. Rather it is making a space for uncertainty, for giving an impulse, an object, a material, the benefit of the doubt. (…) It is a conscious repression of evaluating in advance of action the value of the thought.. Allowing the work and the walk with its repeated mantras and work to take their time; to allow that which starts as a whim to continue.’

Laat het doorgaan, al klopt er niets van, want met de tijd kan eruit iets nieuws ontstaan.

Kentrigde zou niet Kentridge zijn als hij dat besef niet nog breder zou trekken, en concreter. Sinds enkele jaren heeft hij in Johannesburg er een podium voor: The Centre for the Less Good Idea, een kunstencentrum waar het experiment en het onvoltooide werk welkom zijn. Op Holland Festival gaf hij, samen met bij het centrum aangesloten podiumkunstenaars, er een voorstelling over: A Defence of the Less Good Idea. Een eedere uitvoering is integraal online te zien.  (Kentridge start bij 18:30 minuten.)

Aan de hand van uiteenlopend materiaal dragen Kentridge en zijn performers de gedachte achter het centrum uit:

‘Often, you start with a good idea, It might seem crystal clear at first, but when you take it to the proverbial drawing board, cracks and fissures emerge in its surface, and they cannot be ignored. It is in following the secondary ideas, those less good ideas coined to address the first idea’s cracks, that the Centre nurtures, arguing that in the act of playing with an idea, you can recognise those things you didn’t know in advance but knew somewhere inside of you.’

De onverdraaglijke domheid omgevormd tot iets anders, zonder de werkelijkheid te ontkennen, maar ook zonder te gehoorzamen aan zijn als ijzeren voorgestelde wetten. Dat kan alleen lichtheid zijn. Calvino:

‘Als ik een symbool zou moeten kiezen voor de manier waarop ik wens dat we het nieuwe millennium onder ogen treden, dan zou ik dit beeld nemen: de onverwachte, lichte sprong van de dichter-filosoof, die zich verheft boven de zwaarte van de wereld en daarmee aantoont dat zijn zwaarwichtigheid het geheim van de lichtheid bevat, terwijl dat wat velen beschouwen als de levenskracht van alle tijden, het lawaaiige, agressieve, dreunende en razende, in feite behoort tot het rijk van de dood, als een kerkhof voor verroeste autowrakken.’

 

 



Reacties zijn gesloten.