De rekbare tijd: Ruth Ozeki over gezichten, maskers, schrijven en lezen

‘Old Jiko is supercareful with her time. She does everything really really slowly, even when she’s just sitting on the veranda, looking at the dragonflies spinning lazily around the garden pond. She says that she does everything really really slowly in order to spread time out so that she’ll have more of it and live longer, and then she laughs so you know she is telling you a joke.’

Niets is zo waar als een grap. Ruth Ozeki’s jonge verteller Nao in A Tale for the Time Being laat zich voortdurend verbazen door haar overgrootmoeder Jiko, een boeddhistische non, die Nao opzoekt in haar klooster in het noorden van Japan. Nao is een ongelukkige puber, geboren in Japan, opgegroeid in de Verenigde Staten en tegen haar wil terug naar Japan verhuisd. Zij schrijft in een dagboek over haar heimwee naar California en haar gevoel van vervreemding in Tokyo. Ze schrijft omdat ze zich alleen en onbegrepen voelt, maar misschien ook gewoon om te vertellen – in de hoop dat iemand, ooit haar verhaal zal lezen.

Op een dag vindt een schrijver die Ruth heet een lunchbox op het strand, aangespoeld met de golven, samen met heel wat andere voorwerpen van verre. Het zijn de nadagen van de tsunami, die langs de Aziatische kusten heeft gewoed, met als gevolg veel verwoesting en vele doden. In de lunchbox zit het dagboek van Nao, een handgebonden boek in de oude, leren omslag van Prousts À la recherche du temps perdu.

Lezend in het dagboek gaat Ruth inderdaad op zoek naar een verloren tijd, maar vooral gaat ze op zoek naar het verloren meisje. Wat is er met Nao gebeurd? Hoe is het dagboek in de kinderlijke Hello Kitty-lunchbox terecht gekomen? Bestaat Nao echt, en zo ja, leeft ze nog?

Al lezend ontvouwt ze Nao’s verhaal, dat ook het verhaal is van Jiko, die volgens Nao ‘wel honderd’ moet zijn.

‘Sometimes when she [Jiko – ev] told stories about the past her eyes would get teary from all the memories she had, but they weren’t tears. She wasn’t crying. They were just the memories, reaching out.’

Herinneringen die naar buiten willen en contact willen leggen met wie bereid is ze aan te horen. Parallel aan het verhaal van Nao en Jiko gaat Ruth ook haar eigen verhaal, haar eigen herinneringen en leven na. En ze begint te dromen:

‘…a place or a condition that was unformed, that she couldn’t find words for. How to describe it? Not a place but a feeling, or nonbeing, sudden, dark, and prohuman, which filled  her with such an inchoate horror that she cried out and brought her hands to her face, only to find that she no longer had one.’

Ruth droomt dat ze haar gezicht kwijt is. Zoals lezers van Ozeki’s mediterende essay The Face: A Time Code weten, komt gezichtloosheid in de boeddhistische traditie overeen met er niet meer zijn. Het gezicht is gelijk aan tijd, en net zoals de tijd nooit permanent kan zijn, is het gezicht nooit perfect of ‘af’. Gezichten zijn net Noh-maskers, die gemaakt zijn om mensen te herinneren aan de vergankelijke, onvoltooide tijd. Maskers zijn spiegels van tijd.

Ook romans spiegelen de tijd, schrijft Ozeki. Ze zijn een soort tussenruimte en vol magie.

‘The writer enters and seats herself in front of her reflection in the mirror. She collects herself and focuses her attention, and then she picks up a mask. She gazes at it and positions it on her face, and at that moment she is transformed into the protagonist of her story, looking out through its eyes at her reflection in the mirror, made stranger by the face of another.’

Zo heeft in The Tale for the Time Being de schrijver/lezer Ruth het masker van Nao/Jiko opgezet en is begonnen van het niet-bestaan te dromen, eerst in volle paniek, maar dan:

‘And then she felt something, a feather-light touch, and she heard something that sounded like a chuckle and a snap, and in an instant, her dark terror vanished and was replaced by a sense of utter calm and well-being. (…) It was like being cradled in the arms of time itself, and she stayed suspended in this blissful state for an eternity or two.’

Het is alsof het meisjesdagboek in de lunchbox haar de tijd van de oude Jiko had gegeven; alsof ze, al lezend en herinnerend, in de tijd was gestapt; de tijd, niet meer bestaande uit afzonderlijke herinneringen aan toen of daarna, maar als een voortdurende verandering, een spel tussen het bestaan en niet-bestaan.

Daarom, schrijft Ozeki in The Face, lezen we romans:

‘Then, because the world of novels is an endless hall of mirrors, that moment of transformation of writer into character is echoed by the reader when he or she opens the book and enters the mirror room, dons the mask, and becomes the character too. This is why we read novels, after all, to see our reflections transformed, to enter another’s subjectivity, to wear another’s face, to live inside another’s skin.’

Als maskers een herinnering aan tijd zijn en als tijd dat is wat we ervaren als we – schrijvend, lezend – ons gezicht ruilen voor een ander, wordt de tijd inderdaad rekbaar, net als Jiko grappend meende. Zo heeft de grap weer zijn ware gezicht getoond.

 



Reacties zijn gesloten.