brief 6 * april 2021
Lieve lezer,

And we won’t get to anywhere / Anytime this year.” Nu de voorspelling van Nick Cave op zijn nieuwste album voorlopig klopt, denk ik graag aan een uitspraak van Julio Cortázar: “Hay que poner poesía en la vida de la gente.” Vrij vertaald: het leven heeft poëzie nodig.

Zelf was Cortázar iemand die beslist wist hoe het alledaagse te laten zingen. Denk maar aan zijn bekendste roman, Rayuela: een hinkelspel, waarvoor hij als leesaanwijzing meegaf dat de lezer zelf mocht bepalen hóe de hoofdstukken te lezen, chronologisch of kriskras door elkaar heen. Hij hielp zelfs een handje mee met een fantastisch willekeurige leesaanwijzing, bestaande uit een reeks hoofdstuknummers. Of de volgorde het verhaal veranderde? Reken er maar op.

Dat Cortázar er plezier aan beleefde om met de verwachtingen van de lezer te spelen, lees je ook in De autonauten van de kosmosnelweg, een dagboek van een heel maand op de route du soleil. In een omgebouwde VW-busje doen Cortázar en zijn partner Carol Dunlop twee parkeerplaatsen per dag aan zonder de snelweg te verlaten. Soms krijgen ze bezoek van vrienden, soms van de twee cronópios, plaaggeesten, die vaker opduiken in Cortázars verhalen. De reizigers noteren alles met de zorgvuldigheid van boekhouders, en dat kan alleen een droogkomisch effect hebben, want met een dagboek heeft het schelmenverhaal weinig te maken – verondersteld dat het dagboek een verkenning is van de individuele binnenwereld. Ja toch?

Toen ik onlangs de dagboeken van David Sedaris herlas, kreeg ik een onwaarschijnlijke associatie met Frida Vogels’ dagboekenreeks. Een ongelijker paar is er haast niet: Sedaris maakt van alles een show, terwijl Vogels bij mijn weten niet meer dan één interview heeft gegeven. Maar beide noteren ze wat ze om zich heen zien en wat ánderen denken en voelen. Voor beiden is het dagboek ook een manier om hun weg te vinden in een nieuw land en een nieuwe taal: Vogels verhuist naar Italië, Sedaris naar Frankrijk. Het is niet ondenkbaar dat de landverhuizing invloed heeft gehad op hun focus naar buiten.

Begin jaren ‘80 reist Wim Wenders naar Tokio op zoek naar de wereld van zijn grote voorbeeld, de regisseur Yasujiro Ozu. Die zoektocht levert een van zijn meest persoonlijke filmessays op, Tokyo-Ga, waarin hij, net zoals Vogels en Sedaris in hun dagboeken, vooral heel goed om zich heen kijkt en naar anderen luistert. En weer: het alledaagse wordt bijzonder, als Wenders zijn lens richt op liefhebbers van golfen, jongeren die zich door het Amerika van de jaren ’50 laten meeslepen, de enorm populaire pachinko’s, hallen vol speelautomaten, of gewoon mensen op een picknick of in de trein. Het is Wenders op zoek naar het meest essentiële, dat zo kenmerkend is voor Ozu’s films.

Voor mij, wetend dat we ook dit jaar niet echt op reis kunnen, zijn de beelden een zoete pijn. Ze versterken mijn heimwee naar waar ik niet ben. Misschien dat ik daarom zo graag de persoonlijke observaties van anderen lees en kijk: ze zijn voorlopig mijn ogen en oren, mijn poëzie, zodat het thuisblijven minder nood doet. Ik hoop dat ook jij dit voorjaar manieren vindt om het meer dan alledaagse te ervaren dat zo onmisbaar is voor het leven.

Hartelijks,
Elisa