alexandra david-neel
Alexandra David-Neel in Lhasa, Tibet, 1928

‘Eerst wilde ik schilderen, toen beeldhouwen en daarna ontwerpen. Ik heb de kunstacademie gedaan en op een blauwe maandag de studie museologie. Uiteindelijk ben ik interieurarchitect geworden en had ik ook mijn eigen restaurant en cateringbedrijf.’

Aan het woord is Yvette van Boven, kookboekenschrijver. Pas rond haar veertigste, toen haar vriendinnen al een gevestigd – en goed betaald – beroep hadden, begreep ze dat het niet nodig was voor één ding te kiezen:

‘Ik kwam erachter dat niet één beroep honderd procent bij mij paste, dus heb ik heb mijn eigen werk uitgevonden.’

Zo iemand was ook Mia Kankimäki. Ze had een vaste baan op de reclameafdeling van een uitgeverij in Helsinki, toen ze, ook al tegen de veertig, een zekere onrust begon te voelen. Ze nam een jaar sabbatical en vertrok naar Japan om zich te verdiepen in de elfde-eeuwse Japanse hofdame Sei Shōnagon, schrijver van dé klassieker onder essays, Het hoofdkussenboek. Over haar zoektocht ter plekke publiceerde Kankimäki een evenals persoonlijk essayboek, waarin ze in gesprek gaat met haar illustere voorganger, Asioita jotka saavat sydämen lyömään nopeammin, ofwel ‘Dingen die het hart sneller doen kloppen’. Het boek kreeg in Finland de gepaste aandacht – spreek: het viel in de prijzen – en is ondertussen vertaald in het Duits, Estonisch, Italiaans en – Japans.

Vanuit het perspectief van een beroepsuitvindende avonturier is het interessant dat Kankimäki bij haar vertrek naar Kioto geen woord Japans sprak en de bron van haar fascinatie, Het hoofdstukkenboek, alleen in een gedeeltelijke Engelse vertaling gelezen had (een Finse editie bestond toen nog niet). Ze had een interesse die groeide tot iets wat in de volksmond graag aangeduid wordt met het weeïge woord ‘passie’ – dat wil zeggen: ze had een vraag en die liet haar niet meer los. Dus ging ze.

Als gevolg van de ervaring – en, ongetwijfeld, het succes van haar eersteling – gaf ze haar baan op en zo werd ze een reizende en schrijvende onderzoeker naar het verhaal achter moedige vrouwen – vrouwen zoals Sei Shōnagon, die volgens overlevering een onconventionele hofdame was, een die zich durfde uit te spreken. Dat was kennelijk nogal ongewoon in een tijd, waarin welgestelde vrouwen er waren om welgestelde mannen te behagen.

In het voorwoord van Naiset joita ajattelen öisin, haar tweede, in zo’n tien talen vertaalde boek – in het Nederlands verschenen als Vrouwen aan wie ik ’s nachts denk – schrijft ze:

‘Ik dacht aan vrouwen tijdens die slapeloze nachten waarin het leven/mannen/mijn situatie me wakker hielden en ik het gevoel had dat het uur van de wolf nooit eindigde. (…) De levens van die inspirerende nachtelijke vrouwen verliepen niet langs de gebaande paden. Ze verlegden grenzen en deden dingen die men niet van hen verwachtte. (…). Ik vroeg me af waar deze vrouwen de moed vandaan haalden. Welke adviezen zouden ze me geven als we elkaar konden ontmoeten?  En vooral: zou ik in hun voetsporen kunnen reizen?’

Zo gaat Kankimäki weer op reis. Ze volgt, fysiek of in gedachten, vrouwen zoals Karen Blixen naar Afrika, Artemisia Gentileschi naar Florence en anderen zoals Alexandra David-Néel en Isabella Bird de wereld rond, maakt een uitstapje naar Kioto en duikt in de archieven van de British Library, om vervolgens in een Italiaans dorp adem te halen tijdens een artist residency. Dan keert ze toch weer terug naar haar minuscule flat in Helsinki en beraamt, vol onrust, haar volgende stap.

Haar essayistiek, een mengsel van verslaggeving, research en dagboek, is verwant aan die van andere essayisten zoals Deborah Levy, Vivian Gornick en, waarom ook niet, Patti Smith (M Train, Year of the Monkey). Maar de opzet en de omvang van Vrouwen aan wie ik ’s nachts denkt roept vooral een associatie op met een andere onderzoeker naar onconventionele levens, Maria Popova aka Brainpicker.

Al jaren deelt Popova op haar uitzonderlijk succesvolle website Brain Pickings haar observaties over literatuur, wetenschap en kunst – ofwel ‘marginalia on our search of meaning’, zoals de pay-off van de website luidt. In 2019 bracht ze een heel aantal uitgewerkte portretten van moedige vrouwen én mannen uit onder de titel Figuring. Het boek

‘…explores the complexities, varieties, and contradictions of love, and the human search for truth, meaning, and transcendence, through the interwoven lives of several historical figures across four centuries (…) Emanating from these lives are larger questions about the measure of a good life and what it means to leave a lasting mark of betterment on an imperfect world: Are achievement and acclaim enough for happiness? Is genius? Is love?’

Figuring is een genre op zich, origineel in de lijn van de einzelgängers die Popova portretteert: Johannes Kepler, Rachael Carson, Harriet Hosmer, Maria Mitchell en andere schrijvers, kunstenaars en wetenschappers. De inhoudsopgave alleen al leest als een gedicht:

‘only the dreamer wakes
to find dismooned among the stardust
what is lost and what is gained
of the infinite in the finite
to figure and transfigure
the much that calls for more
(…)’

Het vele dat om meer roept: er is geen ophouden aan als je de onzichtbare, onderliggende verbanden tussen mensen, ideeën, plaatsen en tijden begint te ontdekken. Dat wekt een onrust die, tenzij je die onderdrukt, je in beweging zet. Ofwel, in Popova’s eloquente woorden:

‘So much of the beauty, so much of what propels our pursuit of truth, stems from the invisible connections – between ideas, between disciplines, between the denizens of a particular time and a particular place, between the interior world of each pioneer and the mark they leave on the cave walls of culture, between faint figures who pass each other in the nocturne before the torchlight of a revolution lights the new day, with little more than a half-nod of kinship and a match to change hands.’

harriet hosmer
De prins van Wales bezoekt de studio van beeldhouwer Harriet Hosmer.