the smallest dictionary in the world
The Smallest Dictionary in the World. Collectie Sjöhistoriska museet, Stockholm | Europeana | Creative Commons-licentie

Een vertaling is geen omzetting van woorden van de ene naar de andere taal, maar een vaak intuïtieve uitwisseling tussen culturen, geschiedenissen en mentaliteiten.

Dat weet je meteen als je in de beknopte, viertalige Gouden vertaalregels van Paul Claes bladert. Na zijn even zakelijke als ludieke opmerking vooraf, dat er geen regels voor vertalen bestaan, maakt hij aanschouwelijk waarom een goede vertaler een Engelse zin als bijvoorbeeld ‘A kind of panic seized me’ niet vertaalt als ‘Een soort paniek maakte zich van me meester’, zoals zowel de vertaalmachine DeepL als Google Translate opleveren, maar ‘Ik raakte enigszins in paniek’, zoals Claes voorstelt. Verpersoonlijking van levenloze dingen is een Engelse hobby, geen goed Nederlands, want ‘te animistisch’, zegt Claes.

En dan zijn er de ‘valse vrienden’ – een traktatie van Claes aan de lezer. Zo betekent all but niet ‘allesbehalve’ (dat is anything but), maar ‘bijna’ en sans doute niet ‘ongetwijfeld’ (sans aucun doute) maar ‘wellicht’. De verschillen tussen het Brits en het Amerikaans Engels liegen er ook niet om. Een klassieker is de public school, die in Groot-Brittannië een particuliere school betekent, maar in de Verenigde Staten een openbare school.

Het hordelopen tussen talen en culturen hoort tot de ervaring van elke landverhuizer. Straks vijftien jaar geleden maakte Xiaolu Guo naam met haar A Concise Chinese-English Dictionary for Lovers, waarin de hoofdpersoon met vallen en opstaan meemaakte hoe vervlochten taal, cultuur en relaties zijn. Guo laat haar beginnen bij een grammaticaal én cultureel nulpunt. Ze klautert door talloze letterlijke en overdrachtelijke vertaalfouten naar een ongeveer bestendig bestaan als een jonge Chinese vrouw in Londen – sadder but wiser, uiteraard.

In haar nieuwste roman A Lover’s Discourse kiest Guo voor een directere, maar ook ingewikkeldere constellatie. Alweer verhuist de hoofdpersoon, net als Guo ooit zelf deed, vanuit Zuid-China naar Londen om een proefschrift te schrijven over een Chinees dorp, waarin iedereen kopieën schildert van Westerse kunstwerken. In Londen bevindt ze zich in een vreemd, door de aanstaande brexit gedomineerd universum. Als ze een Australiër van Brits-Duitse afkomst ontmoet, begrijpt ze zijn aanduiding van zichzelf als een Wasp evenmin als zijn beroep, landschapsarchitect. Lastig voor haar te volgen is ook zijn voorliefde voor het buitenleven. Hij wil een boerderij in Noord-Duitsland, zij heeft alles gedaan om het Chinese plattelandsdorp te ontvluchten waar ze opgroeide. Na vele taalkundige en culturele complicaties vinden ze een nieuw terrein waar ze beide passen. Iets is verloren gegaan, iets anders is gewonnen.

(…) I wrote to you:
‘I am feeling wordless. I call it wu yu. It’s like I have lost my language.’
You wrote back:
‘Why lost? If you have really lost one language, aren’t you gaining another?’

Onrustiger, maar ook jonger en verder weg van huis is Polly Barton in haar autobiografische literaire essay Fifty Sounds. Aan de hand van onomatopoëtische uitdrukkingen leidt ze de lezer door haar ervaringen met Japan, Japanners en het Japans. De constellatie is als volgt: de begin-twintiger Barton schrijft zich samen met haar vriend in voor een uitwisselingsprogramma om Engelse les in Japan te geven. Hij komt niet door de selectie, zij wel. Ze krijgt een plek op een klein, afgelegen eiland bij Hokkaido. Het duurt niet lang of wordt ze verliefd in een oudere collega. De relatie, die ze wijselijk van de school geheim houden, wordt haar ware instap in Japan en de Japanse taal. ‘An immersion is what happened to me’, merkt ze op.

Als het jaar over is, verlaat Barton het eiland – en haar geliefde. Maar de taal zit in haar voorgoed. Terug in Engeland zoekt ze een baan bij een Japans bedrijf en begint een lang pad tot de autodidacte vertaler die ze nu is. Daarin staat ze niet alleen. ‘Een selfmade vertaler,’ noemt ook Paul Claes zichzelf. ‘Alles wat ik over vertalen weet, heb ik met vallen en opstaan geleerd.’ Net zoals Guo’s roman, maakt Bartons even openhartige als geestige zelfexegese een paar dingen duidelijk. Één: het is een illusie te denken dat je een andere taal ooit volledig kunt leren. Twee: het is denkbaar en zelfs aannemelijk dat je dermate verknocht kunt raken in een nieuwe taal dat je bereid bent je alles ervoor te geven. In Bartons woorden: ‘a sensory bombardment…a possession a bedevilment, a physical takeover’.

Het is geen toeval dat zowel Barton als Guo zich tot een ‘jij’ richten: taal is door en door relationeel, een dialoog, een discourse. Beide kiezen ze voor hun taal te binden aan een concrete persoon, de geliefde, een ‘jij’. Zo spreken ze even goed tegen hem als – inderdaad – tegen de taal die hun tweede zelf wordt: het Engels voor Guo, het Japans voor Barton. Er is maar een flinterdun verschil tussen taal en liefde, zeggen Barton en Guo. Fouten zijn niet belangrijk. Waar het op neerkomt is het vermogen om je in een nieuwe taal in te leven, zodat je in de taal leeft. Barton:

‘Over time, I have come to believe that if language learning is anything, it is the always-bruised but ever-renewing desire to draw close: to a person, a territory, a culture, an idea, an indefinable feeling.’