Plekken voor het nietsdoen: het Texelse strand.

Ik ben een onvoltooide minimalist. Dat vraagt om uitleg.

Onlangs las ik Noreena Hertz’ The Lonely Century (vertaald als De eenzame eeuw). Het moment was voor mij kennelijk rijp, want ze is zeker niet de eerste die schrijft over eenzaamheid, stress en ander fysiek en psychisch onbehagen als gevolg van een overmatig efficiënt bestaan. Ze benoemt ook de machinerie die voor het bestrijden van die kwalen moet zorgen: mindfulness, meditatie en allerhande therapieën zijn een pleister voor de arme mens die niet kan – of wil – ophouden met functioneren. Alles is instrumenteel, zelfs kunst, want schilderijen, muziek, gedichten en dans brengen rust in het overwerkte brein, met als gewenste uitkomst dat mensen net genoeg dimensie in hun leven herwinnen om morgen weer beter te presteren dan de dag ervoor. Het productieve leven gaat 24/7 door in een nooit ophoudend heden, en het is geen toeval dat Jonathan Crary de omineus geworden tijdaanduiding als titel voor zijn provocatieve essay heeft gekozen. In de neonverlichte wereld van twentyfour-seven is er al helemaal geen plaats voor rust en slaap. Het is een wereld zonder schaduwen.

In dezelfde lijn schrijft Josh Cohen in Not Working: Why We Have To Stop over een cultuur die pijnlijk hardnekkig ontkent dat de drang tot presteren een heilloze weg is die uiteindelijk de mens kapot maakt. Om Cohen te parafraseren: het heersende ethos is er een van een angstvallige competitieve werkverslaving, die ervoor zorgt dat miljoenen mensen dwangmatig gefocust zijn op hun werk. Daar komt een geïdealiseerd zelfbeeld bij dat het zelf gelijk stelt aan de ambitie om nog meer te bereiken. Bang voor leegte, zitten mensen gevangen in ‘een tirannie van het doen’. Illustratief in dat opzicht is ook het openhartige relaas van Hertz, waarin ze vertelt hoe ze op de proef een vriendin bestelde omdat ze menselijk gezelschap miste. Dat is wat geld brengt: de mogelijkheid om zelfs vriendschap te kopen als je de tijd ontbreekt om echte relaties aan te gaan.

‘Idiot, slow down’

De analyses van Hertz, Crary en Cohen zijn even desolaat als moedig, want verontrustend. Ze echoden door mijn hoofd, tot ik doorhad dat ik dezelfde dystopische visioenen al langer geleden had gehoord. Kort voor de millenniumwisseling bracht Radiohead OK Computer uit, een plaat die weinig twijfel over laat van de richting waarin de maatschappij zich snelt. ‘Sometimes I get overcharged / That’s when you see sparks / They ask me where the hell I’m going / At a thousand feet per second / Hey man, slow down, slow down / Idiot, slow down, slow down’, prevelt de computerstem in de slotakkoorden van het album.

Jong als ik toen nog was, waande ik me stevig genoeg geworteld in het non-conformistische denken om me niet persoonlijk aangesproken te voelen door de sombere voorspelling. Als er iemand was die niets had met efficiëntie, dan was ik het wel. Mij kon niets overkomen. Sindsdien heb ik vaak genoeg moeten toegeven dat mijn hoogmoedige houding van toen niet bestand was tegen het leven in een maatschappij waarin geleverde prestaties de graadmeter zijn voor een goed besteed leven.

In die tijd woonde ik al een aantal jaren in Nederland. Als nieuwkomer op een jongvolwassen leeftijd – een paar landenwissels en een reeks onafgemaakte studies achter de rug – had ik een knagend gevoel dat ik mezelf steeds aan het inhalen was. Ik was uiteindelijk tegen mijn dertigste afgestudeerd, mijn Nederlands was verre weg van zuiver, ik werkte her en der, in loondienst en als freelancer tegelijk, en ik studeerde er ook nog bij, gewoon, omdat ik meende dat het niet genoeg was wat ik al had bereikt. Tegen mezelf en desnoods ook tegen anderen hield ik vol dat ik het deed uit een onverzadigbare nieuwsgierigheid, want dat klonk goedaardig, maar in mezelf wist ik dat het schijn was. Ik had die overmatige ijver heel hard nodig om verder te komen. Wat dat ‘verder’ inhield, liet ik terzijde.

In momenten van overmoed lachte ik breeduit over wat ik om me heen zag gebeuren. Ik lachte over impacttrainingen die als paddenstoelen uit de grond schoten. Ik lachte over de ontwakende drang tot jezelf online profileren, die een hoge vlucht nam naarmate het wereldwijde web zich verder ontwikkelde. Ik lachte over zoveel, maar op den duur bekroop me een nieuw soort onbehagen. Ik was in een vreemde wereld beland, waarin alles, een kopje koffie op een terras of naar de film gaan net zo goed als een wandeling, een bepaald doel moest dienen, zoals netwerken, met als achterliggende gedachte dat anderen je nog eens tot nut konden zijn. Machteloos voelde ik me tegenover het credo van de tijdgeest.

Rond dezelfde tijd deed een jonge, ambitieuze Engelse journalist een flinke stap opzij. Hij maakte een abrupt einde aan zijn carrière, verhuisde naar een afgelegen boerderij en richtte The Idler op, een forum voor mensen net als hijzelf, die weer meer kleur en gevoel in hun leven wilden hebben. Zo aantrekkelijk als ik Hodkinsons tongue-in-cheek anarchisme destijds vond, wilde het me toch niet lukken om me gewonnen te geven aan zijn credo ‘Slow Down, Have Fun and Live Well’.

Ik zocht verder. Op een gegeven moment verraste ik mezelf met een empathische ja-knik tegen Marie Kondo, want waar zij voor staat zag er best haalbaar en beslist niet bedreigend uit. Het enige dat ze zegt is: koester je spullen. Koester wat je werkelijk dierbaar is en doe de rest weg. Declutter. De bedenker van de Nederlandse vertaling ‘ontspullen’ blinkt niet uit in taalgevoel, en als concept mankeert dat lelijke neologisme een belangrijke dimensie van Kondo’s ‘sparking joy’, een toestand die je volgens haar bereikt als je grondig schift in je bezit. Want even belangrijk als het verminderen van de hoeveelheid aan dingen in huis is volgens Kondo dat alles wat je bewaart zowel voor het oog als voor het hart klopt en zijn eigen plaats heeft. Dat je een band hebt met wat je bezit. Dingen om je heen zijn niet zomaar dingen, ze zijn gelijk aan jouw leven. (De tekst gaat verder onder de foto.)

Plekken voor het nietsdoen: een wandelpad in de Kanazawa prefecture, Japan.

Dat klonk aannemelijk. Maar toen ik mijn ogen weer opsloeg, herinnerde ik me dat er ook een heel ander Japan is dan dat van een gebalanceerd leven met gekoesterde dingen. Een van de grootste complimenten die je er  kunt krijgen is de laconieke constatering ‘otsukarema deshita’, ‘jij bent moe’. Dat wil zeggen: jij bent moe, want jij hebt zo hard gewerkt dat je haast neervalt.

Voor en na

Fumio Sasaki was zoals Tom Hodgkinson, jong, strevend naar succes en schijnbaar genoeg gehard om te overleven in het meedogenloze bedrijfsleven van Tokio. Hij was een prototype sararīman, een werknemer in loondienst die zijn dagelijkse portie otsukarema deshita maar al te graag wilde verdienen. Hij moest wel, schrijft hij in zijn besteller Vaarwel spullen, want hij kocht eindeloos veel boeken, dvd’s en allerlei dure gadgets. Tot hij zich realiseerde dat hij ongelukkig was. Hij wierp een grondige blik op zijn appartement dat gaandeweg in een opslag was veranderd en raakte in een existentiële crisis. Toen hij zijn besluit eenmaal had genomen, nam hij afscheid van al zijn collecties. Hij ging steeds verder met het weggooien, tot alleen het absoluut noodzakelijke over was. Eenmaal bevrijd van zijn spullen, verhuisde hij naar een kleinere en goedkopere flat, waardoor hij genoeg had aan een deeltijdbaan en opeens tijd over hield voor andere dingen. Zo verruilde hij zijn carrièreplannen voor vrienden en de wereld, die hij in zijn jaren van efficiëntie feitelijk de rug had gekeerd.

Kan het zo eenvoudig zijn, vroeg ik me af bij het bekijken van de foto’s waarin Sasaki zijn metamorfose toont: oorheen leefde hij in een hectische bende, nu wordt hij omringd door een serene rust. In Sasaki’s eenvoudige foto’s van ‘voor’ en ‘na’ zit een zekere wil besloten om het spel niet op te geven, om niet toe te geven aan wat vaak gretig als ‘machine’ en ‘molen’ beschreven wordt – om niet eens toe te geven aan die al gauw fatalistisch klinkende terminologie.

Ik weet het niet. Terwijl ik dit opschrijf, bekruipt me het idee dat mijn oriëntatie zoek raakte, toen ik met enige vertraging doorhad wat het werkelijk betekende permanent naar een ander land te verhuizen. Een nieuw begin klinkt aantrekkelijk, maar een nulpunt op een leeftijd waarin anderen al aardig op hun loopbaan timmeren zal me een makkelijke prooi hebben gemaakt voor een het soort denken dat ik in feite verafschuwde. Het streven naar iets kan wel een houvast geven, maar het echte probleem is dat het doel steeds verschuift. Het is nooit genoeg.

Als tiener droomde ik van een existentialistisch bestaan in Parijse cafés, van het zijn in plaats van willen. Toen dat niet helemaal uitpakte zoals ik in mijn romantische geest voor me zag – tegen de tijd dat ik eindelijk in Parijs zat, bleek de bohème van de Rive Gauche al tijden geleden plaats te hebben gemaakt voor ordinaire toeristen – verbreedde ik acuut mijn horizon en vertrok verder. Zo ontwikkelde ik een tot op heden onweerstaanbare voorkeur voor lange, trage reizen, die samen met een herontdekte hang naar het nietsdoen mijn remedie werden tegen een overmatig gestructureerd leven en efficiënt functioneren. Bij vlagen lukt het aardig. Op reis kan ik een minimalist zijn; op momenten van het nietsdoen ben ik het vanzelf. Dat maakt me tot een onvoltooide minimalist.

Oktober 2021.

Plekken voor het nietsdoen: Kopparnäs, Finland.