kioto
Een woonbuurt in Kioto.

In Takashi Hiraide’s roman De kat betrekt een stel dertigers een huis in een wijk in westelijk Tokio. Ze raken verknocht aan de buurt door de kat van de buren en de zelkova-boom in de tuin. Als ze hun huurhuis moeten verlaten, zetten ze alles op alles om in dezelfde buurt te kunnen blijven, en als dat niet lukt, blijft het niet zonder ingrijpende gevolgen. Zo belangrijk kan een buurt worden.

Tegelijkertijd hebben Japanse huizen en buurten iets tijdelijks. Daarvan getuigt Pico Iyer in zijn essayistische memoir Autumn Light: Japan’s Season of Fire and Farewells. Het boek leest als een lyrisch meanderend lofzang is aan zijn buurt in de stad Nara, waar hij al decennialang woont. Veranderlijk als de seizoenen is zijn leven in de oude stadswijk, waar voornamelijk bejaarde buren samen pingpong spelen in de lokale sportclub. Iyer schuift aan, als de enige buitenlander, en als het enige niet-bejaarde lid van de club.

De pingpongende buurtgenoten weten alles over de buurt, elkaar en alle andere buren. Roddels vliegen net zo vlot als de pingpongballen over de tafel. Maar vooral vormen ze een hechte gemeenschap met vaste tradities, met de buurttempel als het epicentrum:

“My neighbors all bow before the seasons here, as before the larger forces that keep us in our place. (…) The season is a kind of religion, I think, to which we offer poems and petitions, but it’s not one you believe in so much as simply inhabit.”

Ze wonen in de seizoenen, net zoals ze in de buurt wonen.

De buurt speelt de hoofdrol ook in de ‘handpalmverhalen’– korte verhalen die op een handpalm passen – van Hiromi Kawakami, die in het Engels verschenen zijn onder de titel People From My Neighbourhood. Ook deze buurt, net zoals in die in Takashi Hiraide’s De kat, heeft een zelkova-boom. Onder de zelkova ligt een wit doek en onder het witte doek ligt een kind. Het interessante is dat het kind er zowat dertig jaar ligt zonder ouder te worden. “I began to doubt he was a human child,” merkt de verteller op. “It didn’t matter to me, though.”

Zo gebeuren er in Hiromi Kawakami’s buurt meer onverklaarbare dingen met een vederlichte vanzelfsprekendheid: het is zoals het is, lijkt de buurt te zeggen. Neem het gewoon aan. Soms hebben de wendingen een duistere ondertoon. In een verhaal krijgt de buurt een alert over een naderend verlies van zwaartekracht. Voor het eerst sinds tijden, staat er, wat alleen kan betekenen dat het al eerder is voorgekomen.

“I clung to a tree as my body grew lighter and lighter. Things began floating away: my backpack, dead leaves, a shoe someone had dropped, a handkerchief, a shopping bag. Everything that had fallen was now floating up to the sky.”

Tegen de avond keert de zwaartekracht weer terug. In het volgende verhaal wordt de buurt geteisterd door een heftige stormwind, die een berg zand achterlaat. De bewoners reageren op het nieuwe element met een Zandfestival, traditioneel een religieuze aangelegenheid, maar: “almost no one in our neighbourhood is devout. As a result, an occasional festival like this one becomes the focus for all kinds of beliefs.”

En net zoals in Pico Iyers buurt in Nara, ook hier valt het geloof samen met de amalgaam, die de buurt is.

Soms is één enkele flat al een buurt op zich. Spring Garden van Tomoka Shibasaki is een verhaal over de dertiger Taro, die als gevolg van zijn scheiding verhuist naar een aftandse flat, die op de lijst staat afgebroken te worden. (De roman is in het Nederlands vertaald als Lentetuin, maar ik lees de Engelse vertaling van Polly Barton, die ook korte verhalen van Shibasaki vertaalde.)

Taro kijkt vanuit zijn nieuwe flat naar de hemel boven het dak van de buren:

“Taro imagined himself standing on a cloud. This was something he did often. After walking for miles, he would reach the cloud’s edge. Grasping the edge, he would look down at the city thousands of metres below. (…) As Taro stood up slowly, he bumped his head up against the top of the sky. There was nodody else around.”

In de werkelijkheid zijn er wel anderen. De meeste bewoners zijn al vertrokken, maar de paar overgebleven buren gaan haast vriendschappelijk met elkaar om. De buurvrouw schenkt vis aan Taro, die het geschenk naar zijn werk brengt om aan collega’s te geven. Van zijn collega’s krijgt hij weer een cadeau, dat hij aan zijn buren schenkt, enzovoorts. De circulaire ruil van waren is voltrokken van zorg en aandacht, zoals alleen tussen mensen die op elkaar aangewezen zijn.

Taro krijgt een speciale relatie met de striptekenaar Nishi, die een fotoboek vindt over een blauw huis tegenover hun flat en ervan geobsedeerd raakt. Beetje bij beetje werken Taro  en Nishi zich dichter bij de huidige bewoners en wat blijkt: de vrouw die met haar gezin in het bijzondere huis woont, houdt er niet eens van. Taro mijmert: “Just because you had the kind of life that everyone envied didn’t mean that it was right for you.”

Tenslotte vertrekt niet alleen het gezin van het blauwe huis, maar ook Nishi. Taro blijft alleen achter in de nagenoeg lege buurt: “Nothing changed. Nothing made a sound. Only the boundary lines between the light and the shade shifted, like a sundial.”

Een zonnewijzer (sundial), die de verandering van tijd weergeeft. Van tijd, van de seizoenen, van de buurt.

 

Mei 2021