Regels ontregelen: Carter, Brassinga, Perec en Calle

Gewone dingen hebben hun schoonheid, maar zo hebben ook de ruimtes waarin de dingen zich bevinden. Mensen omringen zich met dingen waaraan ze hechten, en omdat ze eraan hechten en er een bepaalde betekenis aan toeschrijven, zij het vanwege een persoonlijke herinnering of iets anders, onbepaalds zoals een gevoel misschien, worden ze dierbaar, wat uiteraard niet hetzelfde is als kostbaar. Kostbare dingen maken geschiedenis, persoonlijke dingen hopen zich op als memento’s van geleefde levens.

Aan die vuistregel herinnert Mary Randolph Carter haar lezer in het boek vol huizen vol wonderlijke, vaak onopzettelijke, verzamelingen – het boek met een titel die gelijk is aan Carters levensovertuiging: a perfectly kept house is a sign of a misspent life.

Lees en huiver. In een tijd vol zelfverklaarde opruimgoeroes en een manie voor zelfbeperking, zij het om het geld, om efficiency, om het milieu, om gezondheid of in de hoop op een eeuwig leven, is dat nogal een statement. Niet helemaal van gisteren overigens: a perfectly kept house verscheen al in 2010, en sindsdien heeft Carter (zoals ze het liefst genoemd wil worden) verschillende boeken gepubliceerd over wat zij ‘clutter‘ (opeenhoping) en ‘junk‘ (vertaling overbodig) noemt, en, vooral, over mensen die dat allemaal verzamelen. Haar nieuwste boek heet eenvoudig The Joy of Junk.

Waar het haar om gaat is dat spullen, gewone en bijzondere, gave en kapotte, oude en nieuwe, dat zijn waarmee we allemaal leven en dat ons thuisgevoel verhogen of zelfs mogelijk maken. In a perfectly kept house schrijft ze:

‘Clutter is the poetry of our homes. It is a fingerpint of an experience, a souvenir of our childhoods, an expression of our humor, a collection of things that we just can’t live without. Clutter gives life to ordinary things (…) Clutter is a grand parade that follows us all our days (…) Embrace it, make peace with it, take control of it, share it, reorganize it, and when the time seems right, bid it farewell.’

Met klem bezingt ze de schoonheid van het imperfecte leven, zoals het tot uitdrukking komt in de ruimtes waarin we leven en onszelf een thuis creëren. Ze brengt allerlei mensen in beeld, die weinig moeten hebben van een instrumentele omgang met hun bezittingen (of, in de verlenging ervan, met het leven als zodanig). Ze laten hun spullen staan, bestaan en ophopen op hun eigen recht. Zo krijgen huizen een ziel, een leven inderdaad. Een schoonheid, zoals in de wabi-sabi: niets perfect, en daarom perfect.

Tegelijkertijd zie je aan de huizen dat ze allemaal hun eigen orde en regels hebben. De spullen zijn er zoals ze zijn volgens de persoonlijke en vaak heerlijk niet te volgen logica van de bewoners. Hun eigen wereld, de binnenwereld naar buiten gekeerd: ze zijn thuis bij zichzelf.

Die persoonlijke, dwarse, verzonnen regels horen bij de dingen, zou je haast kunnen denken. Regels, zoals in de kleine encyclopedie der dingen uit Anneke Brassinga’s essaybundel Hapschaar. Onder de titel ‘Huisraad’ vlecht en kneedt ze onder de ogen van de lezer haar eigen woorden-en-dingenwereld:

‘Als ik het woord “stoel” hoorde uitspreken als aanduiding voor een van die zo potige gestalten, scheen het mij aannemelijk dat de uitgebrachte klank een heel andere was dan degeen die ik verstond: ik kon mijn oren niet geloven. (…) Voetstoots geloofde ik in het bestaan van een onnaspeurlijk filter dat woorden verbasterde op hun weg van mond naar oor of zelfs al van wil naar tong.’

Woorden hebben een vorm, ze vervormen zich, ze zijn plastisch, buigbaar, en eigenzinnig. Net dingen. Onder het kopje ‘Het verschil tussen mens en meubel’ schrijft Brassinga:

‘Het huisraad staat op eigen benen. Een mens kan veel leren van zijn meubels. (…) Geen kleerkast vraagt zich af waarom de houtworm hem hebben moest – het is des kleerkasts, nabestaan te zien in wat komt en knaagt.’ 

‘Boeken’:

‘Onmisbaar huisraad, omnifunctioneel: onder een tafelpoot geschoven gaat een boek het wiebelen tegen, opgestapeld heeft men er een voortreffelijk voetenbank aan, bij de maaltijd is een boek onontbeerlijk als onderzetter. (…) Maar het boek als huisraad is in de eerste plaats behang. Het gebruik als brandstof is verboden.’

Regels, patronen. Daar komt Georges Perec met zijn wereldomvattende tragikomedies om de hoek kijken. In zijn vroege werk Les choses (De dingen) ging het om een jong stel dat verstrikt raakte in de verlokkingen van de consumptiemaatschappij – het waren de jaren ’60 – en later verzon hij een hele flat bij elkaar. De titel van de roman is richtinggevend: La vie mode d’emploi (Het leven een gebruiksaanwijzing). Het boek staat vol verloren zielen, die ieder voor zich en soms ook samen betekenis aan hun leven proberen te geven. Met en door dingen, met als culminatie de verzamelaar Bartlebooth, die aan het einde sterft voordat hij zijn grand oeuvre heeft afgerond. Hij laat via een ingewikkelde procedé puzzels vervaardigen, die hij zelf samenstelt. Hij is tot de laatste – vierhonderdnegenendertigste – puzzel gekomen. Met het allerlaatste stuk van de allerlaatste puzzel in de hand gaat hij dood. De lezer komt te weten wat Bartlebooth voor altijd bespaard blijft: het laatste stuk past niet. Exit perfectie.

De meester van het obstakel en de zelfbeperking, de zelfgeschapen regels waaraan het kunstwerk, zich in bochten wringend, heeft te houden‘, heeft Brassinga Perec genoemd. Zelfbeperking, ja, maar volgens wetten die hij zelf bedenkt, net als elke schrijver overigens; bij Perec is het altijd een dubbelspel. Het spel dat een roman is bevat het spel dat in de roman wordt gespeeld. De verzonnen regels – maar zijn niet alle regels verzonnen? – beperken het gezichtsveld opzettelijk, en daardoor openen ze juist nieuwe perspectieven, nieuwe werelden, een andere manier van kijken en begrijpen.

Als mogelijk nog plastischer dan met de puzzel in La vie gaat het toe in boeken waarin hij, letterlijk, met letters speelt: of gebruikt hij alleen de klinker e (Les revenentes) of, in La disparition (‘t Manco) juist géén e. Het is hetzelfde principe dat Sophie Calle in haar werk toepast: in een fotoserie stelt ze haar weekmenu ten toon, bestaande uit etenswaren van een bepaalde kleur per dag. Het idee voor ‘The chromatic diet‘, is afkomstig uit Paul Austers roman Leviathan. Calle heeft ook een installatie gemaakt van vitrines waarin ze haar verjaardagscadeaus over de jaren heen exposeert, één vitrine per jaar, met bijbehorende inventarissen. Ze hield haar Birthday Ceremony dertien jaar vol, tot haar veertigste, uiteraard een willekeurig gekozen eindpunt.

Iconisch is Perecs eigen weergave van zijn verhaal Un cabinet d’amateur, dat leest als een inventaris van een particuliere verzameling. Perec schrijft over het boek:

“Un cabinet d’amateur n’est pas seulement la représentation anecdotique d’un musée particulier; par le jeu de ces reflets successifs, par le charme quasi magique qu’opèrent ces répétitions de plus en plus minuscules, c’est une oeuvre qui bascule dans un univers proprement onirique où son pouvoir de séduction s’amplifie jusqu’à l’infini, et où la précision exacerbée de la matière picturale, loin d’être sa propre fin, débouche tout à coup sur la Spiritualité vertigneuse de l’Éternel Retour.”

‘Het spel van opeenlopende reflecties’ in een potentieel oneindig, ‘droomachtig universum’. Het eindpunt is aan de verzamelaar zelf, bedoeld zoals bij Calle of onbedoeld zoals bij de arme Bartlebooth.

Niet ver van het spel van de kunstenaars staan de huizen die Carter liefdevol portretteert in haar boeken, in a perfectly kept house inderdaad, en in de grand oeuvre van liefhebberij van dingen, Never stop to think…do I have a place for this?, weer een titel die leest als een regel, en een statement, nu met een dubbele lezing: hou nooit op je af te vragen kun je nog een ding erbij hebben, en: vraag jezelf nooit af of er in je huis nog plek is voor een nieuw voorwerp. De keuze is aan de lezer.

 



Reacties zijn gesloten.