De zomers van Bart Moeyaert, Tove Jansson, Shaun Tan en Benjamin Alire Sáenz (en de vrijheid volgens Hayao Miyazaki)

Niets is zo vergankelijk als de zomer. In de zomer is alles hier en nu, de zomer gebeurt en dat gebeuren houdt het besef in dat het straks anders wordt. De zomer gaat voorbij en dat maakt de zomer de meest weemoedige jaartijd. Dat maakt de zomer ook uitstekend geschikt voor verhalen over opgroeien, vriendschap en, waarom ook niet, de liefde, die, net als vriendschap, altijd brozer is dan je denkt en vraagt om gezien te worden. Net als een zomerdag.

In De Melkweg van Bart Moeyaert brengen drie kinderen tijd in de zomer samen door. Ze hebben niet groots veel te doen, behalve rondhangen, mijmeren en voorbijgangers observeren. Een oude vrouw met een oude hond komt regelmatig voorbij. De hond krijgt van de kinderen de naam Jeckyll en de vrouw noemen ze Nancy Sinatra. Het begin van een goed verhaal. Voor kinderen? Nee, voor iedereen, net zoals alle goede verhalen.

‘Iedere schrijver begint als lezer. Noem er één die niet zelf jeugdboeken schrijft, maar wel een jeugdboekenschrijver als voorbeeld noemt. Bijna niemand doet dat. Ik vind dat beledigend’, zegt Bart Moeyaert in een interview met de Volkskrant. Het interview vond plaats kort nadat bekend was geworden dat hij de Astrid Lindgren Memorial Award 2019 had gewonnen, misschien wel de grootste oeuvreprijs die er is voor een kinder- en jeugdboekenschrijver.

De insteek van het interview – ‘Hoe schrijft de schrijver?’ – beviel Moeyaert zeker, want in deze serie vindt hij zich in gezelschap van schrijvers als Maryse Condé en Alessandro Baricco. Hij zou graag zo graag willen zien dat jeugdliteratuur voor vol wordt gezien, zegt hij. Want een goed boek is een goed boek en een goede schrijver is een goede schrijver.

Bij de uitreiking van de Astrid Lindgren-prijs in mei in Stockholm prees juryvoorzitter Boel Westin Moeyaert als “de meester van het moment, de begrenzing en de uitsluiting.” Woorden betekenen in zijn werk meer dan je eerst denkt, zei ze. “Zijn taal vibreert van onderdrukte gevoelens en onuitgesproken verlangens.” Als je dat zo hoort, begrijp je dat ze het over een uitzonderlijk goede schrijver heeft, die de kunst van gelaagdheid verstaat.

Juryvoorzitter Westin is ook de biograaf van Tove Jansson, die onder meer een van de mooiste zomerverhalen ooit heeft geschreven, eenvoudig geheten Zomerboek (Sommarboken). In het boek zit het meisje Sophia op een eiland in de Finse Archipelzee met haar vader, die geen tijd voor haar heeft, en haar grootmoeder, die alle tijd voor haar heeft. Ze leven in de eilandtijd en maken dingen mee die je op een eiland meemaakt, zoals een grote storm, die een voorbode is van verandering, en het voorgoed voorbij gaan van een leven.

Wie Zomerboek leest, kan moeilijk Tove Jansson afdoen als een schrijver uitsluitend voor kinderen, wat maar al te vaak gebeurt; ze is tot slot de ‘moeder’ van de Moemins, die helaas, helaas, in Nederland nog steeds bekend zijn vooral van de Japanse tekenfilms. Net zo lastig is het te volhouden dat Zomerboek een boek is voor kinderen, louter omdat de hoofdpersoon zes jaar oud is. Niet dat er iets mis is met boeken voor kinderen, maar – helaas, helaas – betekent dat predicaat voor volwassenen maar al te vaak hetzelfde als ‘niet voor ons’: daar heeft Moeyaert volkomen gelijk mee. Terwijl – stap uit de vereenvoudigde Japanse animatie-Moeminwereld en neem eens de moeite om bijvoorbeeld Laat in november (Sent i november) of Het geheim van de winter  (Trollvintern) te lezen. Daarna weet je het beter.

Shaun Tans beeldverhaal Regels van de zomer (Rules of Summer) is nog zo’n ultiem zomerverhaal, en een zachtmoedig verzet tegen vooropgezette categorieën. In het boek beleven twee jongens samen hun eigen zomer-continuum, terwijl ze – in Tans zachtmoedige, surrealistische beelden – hun eigen regels beleven. Elke regel geldt tegelijk als bevestiging van hun vriendschap. De laatste regel: ‘Mis de laatste dag van de zomer nooit.’

Nu wil het toeval dat Regels van de zomer vertaald is door niemand anders dan Bart Moeyaert. Een geestverwantschap ligt voor de hand. Want net als Moeyeart vertelt Shaun Tan verhalen voor iedereen die lezend luistert en, in Tans geval, goed kan kijken. Het zijn verhalen over zware onderwerpen zoals vervreemding, verlies van elke houvast, eenzaamheid, onzekerheid en het gevoel verloren te zijn. De aankomst (The Arrival) is, in Tans eigen woorden, een verhaal over ‘vreemdelingen in een vreemd land’ en  Het ding en ik (The Lost Thing, ook een vertaling van Bart Moeyaert) vertelt van een jongen die medelijden krijgt met een ding dat nergens en tot niemand behoort en het beslist te helpen. Altijd is er die bepaalde weemoed, die zo eigen aan de zomer.

De ‘regels van de zomer’ echoën in Benjamin Alire Sáenz’ terecht veelgeprezen boek Aristoteles en Dante ontdekken de geheimen van het universum (Aristotle and Dante Discover the Secrets of the Universe), waarvan het eerste hoofdstuk heet ‘Andere regels van de zomer’. Die andere regels betekenen voor de hoofdpersoon een zomerse vrijheid, die onder andere daartoe leidt dat hij Dante leert kennen. Weer het begin van een goed, intens verhaal.

De nieuwste roman van Alire Sáenz, De onverklaarbare logica van mijn leven (The Unexplainable Logic of My Life), geldt, net als Aristoteles en Dante, als een mapping – het Nederlandse woord ‘verkenning’ slaat hier de plank net mis – van betekenissen die zich openen als je een stap opzij doet en goed om je heen kijkt. Het leven begrijpen, heet dat, en dat lukt alleen zonder vooropgezette categorieën.

Tot slot: in Hayao Miyazaki’s intussen klassiek geworden animatiefilm Howl’s Moving Castle (Hauru no ugoku shiro) – die, alweer o zo toevallig, ook over liefde en vertrouwen gaat – vraagt het meisje Sophie aan de tovenaar Howl: ‘Hoeveel verschillende namen heb je?’

Howl antwoordt: ‘Genoeg om vrij te zijn.’

 

 



Reacties zijn gesloten.