Oefeningen in onthechten

In haar autobiografische essay The Cost of Living vertelt Deborah Levy  hoe ze na haar scheiding het gezinshuis ontmantelde en met haar dochters naar een droevige huurflat verhuisde waar de verwarming het niet deed en de meubels slecht in pasten. Ook moest ze elke dag een steile weg opklimmen om thuis te komen, want de flat lag boven op een heuvel.

Maar het ergste van alles, schrijft ze, was dat ze geen eigen werkkamer meer had. Zelfs haar boeken lagen ingepakt in de opslag. ‘It was futile to try to fit an old life into a new life’, concludeert ze.

Als schrijver heeft Levy een zeer persoonlijke relatie met boeken. Sommige althans. De rest kan haar weinig schelen. In een column in The Guardian doet ze verslag van de roekeloze manier waarop ze boeken wegdoet als deze haar weinig te zeggen hebben. Wat overblijft, zijn boeken die wel betekenis voor haar hebben, al zijn ze niet noodzakelijk leuk of representatief:

‘It is unlikely that my remaining book collection will make people love me, because I don’t necessarily love people who read a lot of clever books.’

Boeken, vindt Levy, zijn er niet om je gelukkig te maken of om vreugde te verspreiden, en dingen zijn het evenmin. Je kunt alle lessen van de opruimgoeroe Marie Kondo volgen, veel spullen wegdoen en de overgebleven dingen met veel aandacht ordenen, maar of je levensgevoel ervan verandert, is maar de vraag:

The trouble is I’m not sure this kind of order would make me feel freer, happier, more connected to the world than my disorderly book collection.’ 

Daarin weerklinkt een echo van Mary Randolph Carter’s lofzang aan ‘junk‘: ‘Clutter is the poetry of our homes‘. Opgehoopte spullen scheppen een thuisgevoel, ze zijn er om in te nestelen. Ze volgen geen regels, de enige orde is die van de bewoners zelf. Koester de wanorde, want die heeft een scheppende kracht.

Carter en Levy staan stevig in hun schoenen met rommel en grillige collecties, want hun achteloosheid is een uitdrukking van hun zelf en de manier waarop ze de wereld zien. Als een mogelijkheid.

Iets anders is aan de hand wanneer het een obsessie wordt om steeds meer spullen te verzamelen, een fenomeen dat in het Engels compulsory hoarding is gaan heten.

In Minimalism: A Documentary about the Important Things (Netflix) leggen tot het minimalisme bekeerde Amerikanen hun bekentenis af over vroegere levens vol spullen, veel verdienen en veel uitgeven, maar leeg van betekenis. Tussendoor doen allerlei specialisten hun licht schijnen op de psychologische en economische gevolgen van de doorsnee Amerikaanse consumptiewaan.

I don’t think we have a great relationship with things,’ concludeert een compulsory hoarding expert in de documentaire.

fumio sasakiZo worden spullen een uitdrukking van het persoonlijke ongeluk en vinden de hoarders hun redding in een levensstijl met alleen het noodzakelijke. Fumio Sasaki is een van de mensen die hun geluk in een nagenoeg leeg huis vonden. In Vaarwel spullen brengt hij zijn leven voor en na in beeld: met cd’s en dvd’s bedekte muren en met boeken en allerhande voorwerpen bedekte vloeren maakten plaats voor leegte en niets dan leegte. Een doorgewinterde minimalist gaat door het leven met niet meer dan honderd, honderdvijftig voorwerpen, de sleutels en de tandenborstel meegerekend.

Voor Japanse minimalisten kan het ontspullen een terugkeer betekenen naar een traditionelere levensstijl en een traditionele manier van wonen. Pico Iyer:

‘A traditional home in Japan – a classical self – is all shifiting panels and self-contained compartiments. Even as the absense of locks and curtains keeps the individual aware at every moment that she’s part of a larger whole.’

In dat licht is het interessant dat het minimalisme in Japan – en misschien ook elders in de wereld – vooral een grootstedelijk iets is, een ontdekking van en voor mensen die zich in hun krappe, volgestouwde flats inkapselden. Wie weinig bezit, is eerder aangewezen op de buitenwereld.

Sasaki’s huis van nu lijkt op traditionele Japanse huizen waar niets rondzwerft en alles zijn welbedachte plaats heeft. Hij hervond de ‘schoonheid van dingen’ doordat hij ze anders leerde bekijken: als een mogelijkheid. Daarin staat hij al heel dicht bij aan Levy en Carter, want al koos hij voor een andere weg, alle drie koesteren ze hun spullen.

Net zoals Soetsu Yanagi, de oprichter van het Mingeikan, het eerste Japanse museum voor alledaagse voorwerpen, zegt: “They may simply be things, but who can say they don’t have a heart?”

Uiteindelijk spelen spullen ook maar een betrekkelijke rol bij het thuisgevoel, vond Deborah Levy. Nadat ze haar aanvankelijke shock over het aftandse huurhuis te boven was gekomen, ontdekte ze dat ze ondanks – of misschien wel dankzij – de ontheemding uitstekend kon werken:

‘I was thinking clearly, lucidly; the move up the hill and the new situation had freed something that had been trapped and stifled.’

 

 



Reacties zijn gesloten.