Niets verandert, alles verandert: Pico Iyer en Jim Jarmusch

De journalist en reisschrijver Pico Iyer verhuisde dertig jaar geleden uit New York naar Kyoto, aanvankelijk voor een jaar, maar al snel voorgoed. In Autumn Light: Japan’s Season of Fire and Farewells kijkt hij terug naar zijn leven als een ingeburgerde buitenstaander in zijn gekozen thuisland.

‘I’d moved to Japan (…) to learn how to live with less hurry and fear of time, and to see how an old and seasoned culture makes its peace with the passing of time. I’d moved there to learn how best to dissolve a sense of self within something larger and less temporary.’

Zoals veel buitenlanders in Japan, had ook Iyer van meet af aan een uitgesproken interesse voor het zenboeddhisme. The Lady and the Monk, zijn eerste boek over Japan, leest als een langzame inwijding. In het begin legt hij de zen uit als een product van een cultuur die weinig gebaat is bij filosofische speculatie en in plaats daarvan nadruk legt op ‘ritual, rigor and reptetition‘, maar een jaar en meerdere verblijven in boeddhistische kloosters later ziet hij er iets anders in:

‘(…) I drew closest to the discipline only when I did not know that I was doing so (…) Happiness came with self-forgetfulness (…) Only when the mind was not preoccupied, could it be fully occupied by something else.’

Kort geleden publiceerde Iyer zijn verspreide waarnemingen over het land onder de ironische titel A Beginner’s Guide to Japan: Observations and Provocations – ironisch, want zijn aforistische schrijven vraagt van de lezer zo niet een uitgebreide kennis van de Japanse cultuur, kunst en literatuur, dan tenminste een zeer, zeer elastische geest. Iyer noteert onder andere:

‘Identities are fluid, flexible in Japan, perhaps because reality is not. And in a culture based upon impermanence, you can give yourself up to any disguise, because it does not last.’

Niets is blijvend, het zelf is onbelangrijk en overgaat in een groter geheel; verandering is illusie, maar alles is wel voortdurend in beweging: gedachten, die beslist niet uitsluitend Japans zijn, leert Iyer, en om zijn punt te maken, citeert hij uit hartenlust Oscar Wilde (‘The true mystery of the world is the visible not the invisible.’), de negentiende-eeuwse zelfbenoemde ambassadeur van het Japanse denken in het westen.

De citaten uit Wilde’s werk lezen inderdaad als boeddhistische koan, raadsels die niet bedoeld zijn om op te lossen, maar om het mysterieuze en tegelijkertijd alledaagse van het leven te omarmen. Kleine parabels van het leven dat niet uit te leggen valt, zo zou je de koen kunnen noemen. Sterrenstof voor de (westerse) mens die graag te ingewikkeld denkt.

Iets vergelijkbaars doet Jim Jarmusch in de film Paterson, zijn close-up van een man in een stad en een stad als een man, een idee afkomstig uit het gelijknamige dichtwerk van William Carlos Williams. De busschaffeur Paterson (gespeeld door Adam Driver – nomen est omen) rijdt dag in dag uit dezelfde route door de slaperige, versleten provinciestad in New Jersey. ‘s Avonds wandelt hij met de hond over steeds dezelfde straten naar dezelfde kroeg.

Maar als zijn leven op de oppervlakte eentonig lijkt, is het in zijn hoofd allerminst. Wat hij ook doet, schrijft hij gedichten – uiteraard in de beste Williamse traditie over alledaagse dingen: net zo goed over een luciferdoos als over de regen, en elk gedicht is in feite een liefdesverklaring aan zijn vrouw en muze, die Jarmusch met een goed gearticuleerde gooi naar weer andere dichters (Petrarca, Neruda) uiteraard Laura laat heten.

Laura (Golshifteh Farahani) en Paterson zijn in alle opzichten elkaar aanvullende tegenpolen, yin en yang: hij is traag en gewoontetrouw, zij springerig en creatief; hij vindt het best als niets verandert, zij smeedt op een lopende band nieuwe plannen, die ze ook weet te realiseren. Maar zij schildert uitsluitend in zwart-wit, en samen dromen ze van een tweeling, met als gevolg dat waar Paterson ook naar kijkt, hij identieke tweelingen ziet. Laura en Paterson: de verpersoonlijking van een koan.

In een tragikomisch scène raakt Paterson zijn gedichten kwijt, maar zelfs dan blijft hij onderkoeld – ofwel: onthecht – want hij weet dat hij in feite niets kwijt kan raken. Zijn gedichten zijn het voorbijgaande, maar de stad blijft en hij in de stad – voorlopig, althans. En alsof om het waarlijk boeddhistische idee te onderstrepen dat niets werkelijk verloren kan gaan, sluit Jarmusch de film af met een Japanse toerist, die, een tweetalige uitgave van Williams’ Paterson onder de arm, in de buschauffeur Paterson een dichter herkent. Ondanks diens nadrukkelijke ontkenning, uiteraard.

 

 



Reacties zijn gesloten.