Merce Cunningham: dansen als doen

merce cunningham

Merce Cunningham. Foto: Robert Rutledge/Magnolia Pictures.

‘I always thought that the real thing is that you continue. That you keep on doing things’, zegt de choreograaf en danser Merce Cunningham (1919-2009) in een geluidsfragment dat opgenomen is in de documentaire Cunningham (2019).

De documentaire van Alla Kovgan werpt licht op de eerste twee decennia van Merce Cunningham Company, van 1953 tot de vroege jaren ’70, toen alle originele leden het gezelschap verlaten hadden. Voor Cunningham was de dans geen illustratie op muziek of beeldende kunst, maar ‘the thing itself’. Dat belette hem niet al vanaf het prille begin nauw samen te werken met componisten en kunstenaars. Aanvankelijk waren het zijn levenspartner, de componist John Cage, en de kunstenaar Robert Rauschenberg, later avantgardecomponisten als Conlon Nancarrow,  Morton Feldman, Takehisa Kosugi, en nog later, al in de eenentwintigste eeuw, Radiohead.

merce cunningham summerspace

Cunningham/Feldman/Rauschenberg: Summerspace, 1958.

Toch ontkende hij stellig zijn eigen werk te typeren als avantgarde, of eigenlijk als wat dan ook. ‘I don’t characterize it. I do it.’ Doorgaan, doen: Cunninghams kernbegrippen zijn van een grote eenvoud. Zijn methode: vrijheid, spontaniteit. ‘It is for me a question of truth and a continuous belief in the surprise of the instant.’

Hij zag er geen probleem in om ‘de verrassing van het moment’ een handje te helpen met de beproefde methode van het absolute toeval, het gooien van een munt – tot het afgrijzen van de gevestigde circuits van toen. De Company treedt vooral op voor kunstenaars en studenten. Aan het sabbelende bestaan komt een einde pas met een tour door Europa. Het is dan al 1964, en ze zijn al ruim een decennium jaar bezig.

Waar ze in Parijs nog tomaten in plaats van warm applaus toegegooid krijgen, Londen wordt een doorbraak. Daarna waait de roem over naar huis en raken ook kunstenaars als Andy Warhol en Jasper Johns geïnteresseerd – precies goed getimed, want Rauschenberg kiest voor een autonome carrière en verlaat Cunninghams groep.

Als de documentaire iets duidelijk maakt, dan dat Cunningham zijn dans leefde. Hij ontwikkelde zijn eigen techniek door het beste uit de moderne dans en het klassieke ballet met elkaar te combineren: de klassieke beentechniek en de stamina van de moderne bewegingslijnen. Met die combinatie kon hij alle kanten op, zegt hij. Dans kon alles zijn.

‘In dance, it is the simple fact of a jump being a jump, and the further fact of what shape the jump takes’, schrijft Cunningham in The Impermanent Act (1955). ‘This attention eliminates the necessity to feel that the meaning of dancing lies in everything but the dancing (…) [it] frees one’s feelings about continuity, and makes it clear that each act of life. Can be its own history: past, present and future (…)’

Dans, vervolgt hij, is deel van het leven. Het gaat in de dans niet om sociale relaties of bepaalde gevoelens. ‘I think dance is more primal than that.’ Het is ‘….freedom, that is, a complete awareness of the world and at the same time a detachment from it.’

Het lijkt niet ver gezocht een parallel te trekken met een andere danser en choreograaf, die een eigen stijl ontwikkelde en langdurig een gezelschap leidde: Ohad Naharin, die met zijn gaga-techniek net zo goed de vrijheid van de dans heeft onderzocht en getoond. Mr.Gaga (2017), een documentaire van Tomer Heymann over het leven en werk van de nu ook al de zeventig naderende danspionier, volgt zijn eigenzinnige carrière van een rebellerende leerling van Martha Graham – bij wie ook Cunningham in de jaren ’30 en ’40 danste – tot de soevereine leider van de Batsheva Dance Company. Hoewel hij een paar jaar geleden afstapte als leider van het gezelschap, blijft hij nieuwe choreografieën maken.

When I dance, it means: this is what I am doing.’ Cunningham was 70 jaar choreograaf en bijna even lang danser. Op de website van de Merce Cunningham Trust, die zijn nalatenschap beheert, staan fragmenten van zijn latere stukken – door hemzelf gedanst. Geen wilde sprongen meer, maar de zwier van de danser is er niet minder om. Zijn laatste en daarmee 180e stuk heet autobiografisch Nearly Ninety.

‘My work has always been in process’, schrijft hij terugkijkend in Fifty Years (1994). ‘Finishing a dance has left me with the idea, often slim in the beginning, for the next one. In that way, I do not think of each dance as an object, rather a short stop on the way.’



Reacties zijn gesloten.