Het hart van gewone dingen: Soetsu Yanagi en het Japan Folk Crafts Museum

“If life and beauty are treated as belonging to different realms, our aesthetic sensibilities will gradually wither and decline. I earnestly believe that in order for beauty to prosper in this world, and in order for us to gain a deeper appreciation of beauty, it is necessary for the utilitarian to also be the beautiful”, schrijft Soetsu Yanagi, Japanse filosoof, kunsthistoricus en dichter, wiens verzamelde essays postuum zijn gebundeld als The Beauty of Everyday Things.

Yanagi was de oprichter van Mingeikan, het Japan Folk Crafts Museum in Tokyo, het eerste museum in zijn soort in Japan. In het boven geciteerde essay “What is Folk Craft?” uit 1933 legt hij uit, waarom de traditionele Japanse esthetiek alledaagse dingen ten onrechte over het hoofd heeft gezien.

Yanagi is het te doen om een geheel nieuwe esthetiek van gewone dingen. Handgemaakte gebruiksvoorwerpen zijn, schrijft hij, het resultaat van een herhaalde handeling, die zo zeer in de maker – meestal een anoniem gebleven artesaan – gaat zitten dat het zijn tweede natuur wordt. Een pottenbakker maakt hele series kopjes of kruiken, hij weet precies wat hij doet, hij hoeft er niet over na te denken. Volgens Yanagi werkt de pottenbakker spontaan, want zo geroutineerd dat het alsof vanzelf gaat. In de boeddhistische filosofie waaraan zijn denken schatplichtig is, heet het ‘leeg’, want ‘vrij van beperkingen’:

“The world of folk art is a world of freedom, a state of imaginative creation”, staat er in een ander essay. Elk object, ook de tweehonderd vijfentwintigste in een serie, uniek. Want een handgemaakt ding is altijd net anders.

Om op de onmisbare waarde van dat net anders zijn van elk ding te benadrukken, haalt Yanagi het begrippenpaar wabi–sabi erbij. Afkomstig van de theeceremonie, wordt daarmee een spontane handeling aangeduid, die ‘imperfecties’ toont en juist daarom ‘perfect’ is – tussen aanhalingstekens, want volgens Yanagi staat echte schoonheid buiten alle dichotomieën. Scheuren, barsten en spontane missers duiden juist op een absolute vrijheid. Die vrijheid, schrijft hij, plaatst goed gemaakte dagelijkse spullen ook buiten de esthetische hiërarchie waaraan kunstvoorwerpen onderworpen zijn.

“Literally, sabi commonly means ‘loneliness’, but as a Buddhist term it originally referred to the cessation of attachment. (…) ultimately, the beauty of tea is the beauty of sabi. It might also be called the beauty of poverty – or in our day it might simply be called the beauty of simplicity.”

Tenslotte: “They may simply be things, but who can say they don’t have a heart?”

 



Reacties zijn gesloten.