De kunst van het schrijven (en lezen): Sei Shōnagon, Kenkō en Vivian Gornick

sei shonagōn het hoofdkussenboekIn een kenmerkende passage van de Japanse klassieker Het hoofdkussenboek (Makura no Sōshi, vertaald door Jos Vos), geschreven rond de eerste millenniumwisseling, beschrijft Sei Shōnagon een uitstapje van de hofdames naar het platteland. Ze hebben een opdracht van de keizering meegekregen: gedichten schrijven over het gezang van een vogel, de kleine koekoek. Als je Het hoofdkussenboek leest, kun je je moeilijk aan de indruk onttrekken dat verzen maken de voornaamste taak is van de vrouwelijke leden van het hof. Het zijn de gedichten die er toe doen, de rest is gewoon – woorden.

Onderweg horen de dames veel koekoeken zingen, maar ze worden zo afgeleid door het plattelandsleven dat voor hun iets compleet nieuws is, dat ze de gedichten volkomen vergeten. Zo komen ze bij de residentie van een oom van de keizerin, die vindt dat ze ‘landelijke producten’ moeten bestuderen. Sei Shōnagon verslaat hun reactie op het dorsen van rijst: ‘Wat konden we anders doen dan lachen – het was ons allemaal zo onvertrouwd!’

Overweldigd door alle nieuwe indrukken keren de hofdames naar huis. Hare Majesteit vraagt meteen naar de gedichten en reageert teleurgesteld omdat ze er geen hebben geschreven. Ze geeft de dames de opdracht om alsnog aan de slag te gaan, wat ze allerminst lukt omdat ze zich onder druk gezet voelen. Dagen later komt de Majesteit er nog op terug. Sei Shōnagon antwoordt haar:

‘Telkens als de gelegenheid tot dichten zich voordoet en u iets van mij verlangt, wil ik het allerliefst de benen nemen. (…) Ik stam nu eenmaal uit een familie die bekendstaat om haar dichttalent, en daarom wil ik het altijd beter doen dan de anderen. (…) Het is een smet op de naam van mijn vader zaliger als ik met mijn versjes naar voren dring en doe alsof ik de wijsheid in pacht heb, terwijl ik me in niets van alle anderen onderscheid.’

kenkō de kunst van het nietsdoenHaar woorden weerklanken een paar eeuwen later in Kenkō’s De kunst van het nietsdoen (Tsurezuregusa, vertaald door Jos Vos), een verzameling van schetsen, anekdoten en levenswijsheden die beslist schatplichtig is aan Het hoofdkussenboek. Kenkō schrijft:

‘Je kunt maar beter de indruk niet wekken dat je al te goed op de hoogte bent van welk onderwerp dan ook. (…) Het mooiste is om je met tegenzin uit te spreken over dingen waar je veel verstand van hebt – en dan alleen als iemand er een vraag over stelt.’

Inderdaad: ook Sei Shōnagon wil pas dichten de keizerin haar persoonlijk eerst een gedicht stuurt, waarin ze haar expliciet uitnodigt om met een gedicht te antwoorden.

Zowel Sei Shōnagon als Kenkō schrijven de contouren van een etiket voor het leven zoals het hoort, en beide werken de regels uit behalve in anekdoten, ook in lijsten waarin boeken en het schrijven vaak voorkomen. Als een van de ‘verheugende dingen’ noteert Sei Shōnagon: ‘Je legt je hand op goed papier uit Michinoku, of ander papier van hoge kwaliteit’, terwijl Kenkō zijn lijst ‘weerzinwekkende dingen’ afsluit met: ‘Hoe overvloedig ook, boeken op een boekenwagentje en afval op een afvalhoop zijn niet weerzinwekkend.’

Tot de kern van het lezen komt Kenkō als hij schrijft: ‘Geen groter soelaas dan in je eentje bij een lamp te zitten met een opengespreid boek en bevriend te raken met iemand uit lang vervlogen tijden die je nooit hebt ontmoet.’

vivian gornick the situation and the storyNaar iets vergelijkbaars verwijst de Amerikaanse essayist Vivian Gornick in The Situation and the Story: The Art of Personal Narrative’ – als ze schrijft:

‘In all imaginative writing sympathy for the subject is necessary (…) an absence of sympathy shuts down the mind. (…) What I mean by sympathy is simply that level of emphatic understanding that endows the subject with dimension. The empathy that allows us, the readers, to see the “other” as the other might see him or herself is the empathy that provides movement in the writing.’

En nog een echo van Sei Shōnagon: ‘Ik vind het erg verheugend als iemand met wie je niet op vertrouwde voet staat een gedicht voor je opzegt dat je nog niet kende en als iemand anders dat gedicht dan aanhaalt. En o wat heerlijk als je datzelfde vers aantreft in een boek! Je weet meteen: dat was het nou, en denkt vol vreugde aan degene die je ermee kennis heeft laten maken.’



Reacties zijn gesloten.